Meindert Talma: Ik ben daar niet zo goed in, hoor, in al die interviews en zo
LiveXS
1 januari 2000
Tekst: Clara Rekers
In alles is hij een prototype Fries. Meindert Talma is groot, blond en nuchter. Een zwijgzame, verlegen muzikant en schrijver - een paradox als persoon. Alles wat moeilijk te omschrijven is, noemt hij ‘apart’. En vraagt de interviewer door, dan zegt hij: “Ja nou, gewoon, zo’n beetje, ja, moeilijk, apart ja.” Talma is een gewone jongen met een sterke voorliefde voor zijn jeugd in de jaren ’70 en ’80.
Meindert Talma (1968) groeide op in het Friese dorpje Surhuisterveen. Hoewel men daar leefde volgens een nogal geconformeerde, gereformeerde EO-standaard, las hij als kind al Kerouac, Reve en Céline. Een zonderling type dus - “Ik was wel een aparte,” zoals hij het zelf formuleert. “Ik luisterde naar radioprogramma’s van de VPRO.” Met zijn eigen muziek wist hij zich geen raad. “Mijn vrienden vonden het wel mooi, maar ze begrepen me niet. Ze vonden mijn muziek te moeilijk, te apart.”
Toen Talma twintig was ontsnapte hij aan de kleine wereld in zijn geboortedorp. Hij ging gescheidenis studeren in Groningen. Hij kwam in deze ‘grote’ stad de vrijheid tegen, leerde er schrijven en ontmoette muzikanten die wél met hem wilden spelen. Voorzichtig liet Talma de “Stichting Hobbyrock” een bandje met solo-opnamen van zijn composities horen. Deze werden gedraaid op hun piratenzender De Nightrider, en voordat Talma het wist was zijn eerste cd een feit. Kort daarna heeft Talma een eigen begeleidingsband, The Negroes - bestaande uit drie blanke Nederlanders, en op uitnodiging van dEUS’ Tom Barman treedt hij ook op in België.
Maar daarmee was Talma nog niet tevreden. Uit een gedeelde hobby met zijn muziek- en studievriend Nyk de Vries, tegewoordig één van de Negroes, bleek ook zijn schrijverstalent. “Nyk en ik stuurden elkaar iedere week een verhaal. We schreven over dingen die we in die tijd meemaakten, of beschreven surrealistische dromen.” Die verhalen moesten worden uitgegeven. Dus richtten Talma en De Vries begin 1996 het Friestalige literaire tijdschrift De Blauwe Fedde op.
En alsof dat nog allemaal niet genoeg was - het verlegen jongetje was immers uitgegroeid tot muzikant en schrijver - begon hij met het voordragen van columns over zijn jeugd op de radio. Die columns werden gebundeld in het boekje Dammen met ome Hajo, waarin ieder hoofdstuk een liedtekst als thema kreeg.
Platenmaatschappij Excelsior benaderde de band voor een cd-opname. “Eigenlijk hadden we genoeg nieuwe nummers om de cd te vullen, maar toen Excelsior-baas Ferry Roozenboom het boek las, stelde hij voor de cd als soundtrack bij het boek uit te geven.” De oude nummers waarvan de liedteksten in het boek stonden werden opnieuw opgenomen. Samen vormen de cd en het boek een ode aan Talma’s jeugd.
Oester
Talma is in het noorden van het land razend populair. Voor noorderlingen lijkt hij zijn muziek ook te schrijven. Nuchtere, stille, niet sublieme maar voor insiders heerlijk herkenbare muziek over kleine dingen. Talma’s muziek is sferisch, een beetje zwart en cynisch. De tekst van het nummer Oester is hem op het lijf geschreven: “Ik doe tegen niemand een bek open, ik laat ze rustig kankeren en ik geef geen sjoege. Ik ben zo gesloten als een oester.” Talma maakt muziek zonder het kleffe van bijvoorbeeld De Kast. Talma: “Ik ben niet van plan me te conformeren aan de muzieksmaak van de massa.” Talma’s liedjes rijmen wel, maar hij laat zich nooit omwille van het rijm woorden opdringen die de zijne niet zijn. “Het gaat me om het verhaal dat ik vertel, een bepaalde sfeer. Ik pas me niet aan.”
Het liefst treedt hij zo vaak mogelijk op. “Ik voel me thuis op het podium, dan heb ik anderhalf uur lang de situatie in eigen hand.” Hij noemt zichzelf wat melancholisch van karakter, maar hij kan, zegt hij, ook wel relativeren. “Soms rollen de teksten gewoon wat apart uit mijn pen.” Talma hoopt vanaf nu ieder jaar een boek en een cd uit te brengen. “Muziek maken en schrijven is het mooiste wat er is en het beste wat ik kan. Het liefst ga ik zo een leven lang door.”